Normen

De ATEX regelgeving met betrekking tot explosieveiligheid is gebaseerd op jaren lang onderzoek en welbegrepen kennis over het ontstaan van explosies. De belangrijkste oorzaken zijn het optreden van een vonk of een te hoge temperatuur in aanwezigheid van een explosief mengsel. De geaccepteerde beschermingsmethoden zijn alle gebaseerd op het wegnemen van één of meerdere van de noodzakelijke voorwaarden voor een explosie. Hiervoor geldt de algemene norm EN50014.

 

De meest bekende beschermingsmethoden zijn:

 

Ex d op basis van EN50018

Hierbij wordt een ontstoken gasmengsel binnen de behuizing gehouden. De hete gassen worden door een zogenaamde vlamweg naar buiten gevoerd waarbij deze zodanig worden afgekoeld dat er buiten de behuizing geen nieuwe ontsteking kan plaats vinden. Deze methode stelt specifieke eisen aan de constructie van de behuizing, met name aan de drukvastheid en de dimensionering van de vlamwegen, maar ook aan het gebruik. De apparatuur mag bijvoorbeeld niet onder spanning worden geopend. Het voordeel is dat er geen bijzondere eisen wordt gesteld aan de elektronica in de behuizing, behalve voor de bedrading die naar buiten wordt gevoerd. Zo zal de toevoer van energie vaak ook Ex d of Ex e moeten zijn, en zijn signaal ingangen vaak Ex i (zier hieronder).

 

Ex e op basis van EN50019

Bij deze methode wordt het optreden van vonken voorkomen. Aangezien deze in passieve apparatuur worden veroorzaakt door sluitingen of losrakende bedrading worden hier met name eisen connectors en terminals gesteld. Deze methode is dus vooral geschikt voor junction boxes en dergelijke.

 

Ex i op basis van EN50020 (voor gebruik in Zone 0 is ook EN50284 van toepassing)

Deze methode wordt intrinsieke veiligheid genoemd. Hierbij wordt door het beperken van de in het apparaat opgeslagen energie het optreden van vonken, die de betreffende gasmengsel kunnen ontsteken, voorkomen. Bovendien wordt door het beperken van het maximaal toevoerde vermogen de oppervlakte temperatuur beperkt zodat ook deze ontstekingsmethode vrijwel wordt uitgesloten.

Afwijken van de normen is in veel gevallen noodzakelijk. De fabrikant dient dan aan te tonen dat de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om ten minste dezelfde mate van veiligheid te garanderen als wanneer de norm gevolgd zou zijn.

Exalon Delft heeft ruime ervaring met het toepassen van EN50014, EN50018, EN50019, EN50020, EN50039 en EN500284